Calvinistischer dan Calvijn

Calvijn glossyOver het Nederlandse Calvinisme in kunst, orgels en kerkgebouwen.

De reformator Calvijn heeft een grote invloed gehad op de protestantse theologie. Zijn boek ‘de Institutie’ vormt ongeveer dé bron waar alle God-kennis na hem op voortborduurt. Doordat christelijke Nederlanders zo gevormd zijn door het denken van deze Zwitser worden ze ook wel ‘calvinisten’ genoemd.

Wat houdt dat in? Karig, sober, netjes, zuinig, degelijk en nuchter zijn woorden die in me opkomen. De website 500 jaar Calvijn leert dat ‘calvinisme’ ook gebruikt kan worden om “dogmatisme, starheid, bekrompenheid en bedomptheid aan te duiden. Deze invulling van het begrip gaat terug op de ongefundeerde gedachte dat Nederland eeuwenlang een calvinistisch land zou zijn geweest”

Dat imago van Nederland als calvinistisch land is de laatste eeuw wel aan het afcalven door de toenemende kerkverlating. Alleen iemand die regelmatig een kerkdienst bezoekt kan zich een echte ‘calvinist’ noemen; los van het christelijk geloof is de term inhoudsloos.

Niet dat je jezelf graag een calvinist noemt; in het politiek debat wordt het vaak als scheldwoord gebruikt. Misschien staat het wel in één lijn met termen als ‘zwarte-kousen politiek’ en ‘fundamentalisten’. Het woord ontstond ook als scheldwoord toen de volgers van Maarten Luther zich van de gereformeerde protestanten wouden distantiëren. Zodoende kan het woord ‘calvinist’ ook wel als geuzennaam worden gezien.

Kunst

Kunst en calvinisme lijkt geen goede combinatie te zijn. Calvinistische kunstenaars in Nederland zijn volgens mij op twee handen te tellen. Ga je – als in een protestants milieu opgegroeide jongere – aan een kunstacademie studeren, dan wordt dat vaak met argwaan bekeken. Uit eigen ondervinding kwam ik dat ook tegen; ‘ga toch een echt vak doen’, en ‘hoe ga je dan later in je eigen onderhoud voorzien?’ zijn twee opmerkingen die ik tegenkwam. Het enige beroep wat je na de kunstacademie lijkt te kunnen gaan doen is docent CKV of tekenen op de middelbare school; voor autonome kunstenaars is geen plaats in een calvinistische wereldvisie.

Ook in de gereformeerde kerkarchitectuur zien we deze onderwaardering van kunst terug. Gebouwen hebben soms meer weg van een ‘preekschuur’. Anonieme dozen die net zo goed voor sporthal door hadden kunnen gaan. Baksteen wat normaliter voor buitenwanden wordt gebruikt tref je hier binnen aan. Hoogstens een enkel abstract glas-in-lood raam geeft het idee dat je je in een huis van God bevind.

Overigens is het niet allemaal kommer en kwel: er zijn ook heel veel mooie protestantse kerken.

Calvinisten zijn netjes. Door de vele vrijwilligersuurtjes zijn hun kerken misschien wel de best onderhouden gebouwen in Nederland. Waar de oude rooms-katholieke kerken door staatsteun overeind worden gehouden dragen de protestanten zelf zorg voor hun kerkgebouw. Als zij het niet doen, doet niemand het, want ze hebben als kunstobject op zich geen bestaansrecht. Rooms-katholieke kerken hebben dat dankzij hun architectonische kwaliteiten wel. Maar ook niet altijd: in Arnhem gaan er nu stemmen op om de miljoenen kostende Eusebius kerk te slopen.

In mijn speurtocht naar Calvinisme en architectuur kwam ik erachter dat de kunst-onderwaardering van veel kerken gebaseerd is op het denken uit de Nadere Reformatie. Dat is een hervormingsbeweging binnen de protestantse kerk die een vrome levenswandel voorstaat.

Calvijn zelf had helemaal geen afkeer van kunst zoals over het algemeen wordt aangenomen. Hij stond zelfs allerlei dingen, zoals toneelspel, toe. Veel kerkgangers vandaag de dag zouden daar de wenkbrauwen over fronsen. De Nederlands-calvinistische kunst aversie had beter ‘lodensteinisme’ kunnen heten. Want de 17e eeuwse predikant Jodocus van Lodenstein sprak over de ‘ydele zondige schilderijen’.

Calvijn was wel tegen al te uitbundige kunstbeoefening in de kerk. In de kerk gaat het om de prediking van het Woord en de aanbidding van God. De kerkganger mocht volgens hem niet afgeleid worden door allerlei kunstuitspattingen als beelden en ornament.

Van rooms-katholiek naar protestant

Piet van Veldhuizen vertelt ons dat na een scheuring in de 19e eeuw

“mochten de vrije gereformeerden hun kerken meestal niet aan de straat bouwen. Vaak kwamen ze in de schuur bij een van de gemeenteleden bijeen, die ze vervolgens verbouwden tot kerkzaal. Daaruit groeide zelfs een ideaal van een puur calvinisme: een eenvoudige zaal, rechttoe-rechtaan, met een preekstoel en banen, met kleine ramen (het elektrisch licht maakte dat inmiddels mogelijk) die deden denken aan stalramen, en met hoogstens een klein torentje op het dak. Geen versieringen, niets dat de aandacht zou kunnen afleiden van het verkondigde Woord. Ik herinner me dat ik als kind in zulke kerken spelletjes probeerde te verzinnen met de cijfers op het psalmenbord, want wat zou ik anders moeten doen tijdens een preek van drie kwartier in een zaal zonder beeld of versiering?”

Kardinaal Simonis was onlangs op bezoek op de open dag van een calvinistische kerk in Gouda, en zei daarover het volgende: “Een mooi gebouw voor een bijzondere gemeente, maar als goede rooms-katholiek mis ik natuurlijk wel de symboliek en de verwijzingen naar Bijbelse verhalen. Intuïtief voel je dan een leegte, wel in de eerste plaats omdat de eucharistie er niet is”.
Daarmee kenmerkt hij het verschil in visie op kunst tussen de rooms-katholieke kerk en de protestantse. In de eerste dient kunst (bijvoorbeeld de beelden van heiligen) als ‘boeken der leken’. Die begrijpen niets van de moeilijke preek en de latijnse gezangen, en kunnen dus door plaatjes en beelden te bekijken zich de kennis van de verhalen uit de Bijbel eigen maken.

In de protestantse eredienst gaat men ervanuit dat iedereen de preek begrijpt – zelfs de meest eenvoudige arbeider. Protestantse kerken zijn vaak veel lichter dan hun rooms-katholieke tegenhanger omdat hier niet een bepaalde sfeer geschapen hoeft te worden. Veel daglicht is nodig, want de bijbel in de hand van de toehoorders in de banken moet duidelijk leesbaar zijn.

Tijdens de reformatie werden veel katholieke kerken omgebouwd tot gereformeerde gebedshuizen. De prediking van het woord was voortaan prioriteit nummer één, en dus werd de kansel op de centrale plek in de kerk gezet: daar waar voorheen het altaar stond.

Midden op die kansel – waar elk oog op gericht is – ligt de Bijbel. ‘Het woord staat centraal’ wordt uitgedrukt door het boek op de meest prominente plek te leggen – het spreekwoordelijke ‘heilige der heiligen’ van de kerk. Opvallend is dat om praktische redenen vaak een doorzichtig opzetstuk over deze kansel-Bijbel wordt geplaatst. Daarop legt de prediker zijn eigen bijbel en aantekeningen. De kansel-Bijbel zelf wordt zelden gebruikt en dient dus vooral als symbolisch beeld. Het gaat tenslotte niet om het boek in zijn uiterlijke vorm, maar om de inhoud.

Het orgel en de avondmaalstafel

Het muziekinstrument bij uitstek in de gereformeerde eredienst is het orgel. Je komt ze in elke kerk tegen, in alle soorten en maten. Een orgel is ideaal als begeleiding van de samenzang. Waar orgels in katholieke kerken vaak uitbundig gedecoreerd zijn tref je in protestantse kerken wel eens varianten aan die meer lijken op een kaal pijpenrek. Dat weerhoudt organisten er overigens niet van om er mooie muziek op te produceren.

Er wordt wel eens moeilijk gekeken als iemand voorstelt om andere muziekinstrumenten te gebruiken tijdens de eredienst. Een orgel is toch een bijzonder, geheiligd instrument?
De 17e eeuwse schrijver Bernard Mandeville rekent af met dat idee in zijn boek ‘De fabel van de bijen’: “De muziek in deze ‘tempels van Venus’ wordt met orgels uitgevoerd, niet uit eerbied voor de godheid die er aanbeden wordt, maar door de zuinigheid van de eigenaren, wier zaak het is zoveel mogelijk lawaai te produceren voor zo weinig mogelijk geld.” En eigenaren van deze ‘tempels’ kunnen “een orgel door het hele huis laten klinken en dit tegen geen andere lasten dan het houden van één miezerige muzikant die hun maar weinig kan kosten.”

Het avondmaal aan een tafel is een typisch protestants fenomeen. De rooms-katholieke kerk kent de communie die door de priester uitgereikt wordt, maar dat wordt niet aan een tafel samen met andere gelovigen geconsumeerd.

Zelfs de viering van het Heilig Avondmaal – het meest intieme onderdeel van de samenkomst – is doortrokken van de invloed van het calvinisme. De eerder aangehaalde Piet van Veldhuizen legt uit hoe dit komt:

“Die gereformeerde versie van de communie vond meestal slechts viermaal per jaar plaats en het was dan een bijzonder serieuze plechtigheid. In de koorruimte stonden lange tafels zoals bij een boerenbruiloft. Nadat de gelovigen de woorden van de avondmaalsliturgie vanaf de preekstoel hadden aangehoord, gingen ze naar de koorruimte om aan de tafels plaats te nemen. Van grote schotels namen ze een stukje brood, ze dronken een bescheiden slokje wijn uit grote zilveren bekers, en zongen een dankzeggingspsalm(…. ) Het zitten aan de tafels was oorspronkelijk een idee van de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen, waar het avondmaal voor de vluchtelingen een symbool was van de eeuwige rust bij God – vroeg in de 17e eeuw nam het hele Nederlandse calvinisme dit gebruik over.”

Conclusie

De aankleding van een protestants kerkgebouw is een zaak waar maar weinig architecten – of kerkenraden, hun opdrachtgevers – goed mee om weten te gaan. Ik denk dat we nog veel kunnen leren van katholieke kerkgebouwen.

Aan de ene kant lijkt me kunst die afleid van de boodschap geen goede zaak. Het zou juist de boodschap moeten versterken. Maar een kerk is niet alleen een zaal waar je een preek aanhoort. Het is ook een plek van aanbidding en meditatie. Waar je in verwondering kunt zien hoe fantastisch God is en hoe mooi Hij zijn schepping heeft gemaakt.

God zelf geeft in de Bijbel al aan hoe we met de architectuur van kerken om moeten gaan. De tabernakel en tempel werden door Hem tot in het detail omschreven, en Hij gebruikte hierbij ook architecten om Zijn huis te versieren. Mozes schrijft in Exodus 35 over deze kunstenaars: “Hij heeft hun vakmanschap geschonken op allerlei gebied: zij hebben verstand van wol weven, van borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van het weven van fijn linnen. Ze beheersen de technieken en maken zelf de ontwerpen.”

Alleen de beste materialen en technieken worden gebruikt voor Gods huis. In hoofdstuk 37 van het zelfde boek lezen we: “Ook maakte men de voorwerpen die op de tafel moesten komen: de schotels, schalen en kommen, en de kannen voor de wijnoffers, allemaal van zuiver goud. Men maakte de lampenstandaard van zuiver goud. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen waren uit één stuk gedreven.”

In het christelijk geloof wordt het leven gezien als een doorreis, waarbij we op weg zijn naar onze eeuwige bestemming. Ik denk dat we bouwkunst in de kerk zeker kunnen en mogen gebruiken als voorproefje van ons einddoel. God gaf zelf het voorbeeld met de bedehuizen die Hij in de Bijbel laat optekenen.

Info

Dit artikel is op geschreven door in de categorie opinie.

het op Twitter
Deel op Facebook

2 reacties op “Calvinistischer dan Calvijn

  1. Beste Frank,

    Dank voor je artikel. Het lijkt mij leuk als je Calvijn vergelijkt met Adolf Loos (Ornament und Verbrechen). Zo te lezen hebben ze dingen overeen en is Calvijn een modernist a vant la lettre.

    Groeten, Dennis

  2. Beste Dennis, bedankt voor je reactie. Dat zou wel mooi zijn, als Calvijn de eerste modernist was. Dan was hij zijn tijd zo’n 300 – 400 jaar vooruit 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *